Soms werkt een ondernemer niet mee aan een cao-controle. In uiterste gevallen stappen we dan naar de rechter.  Hieronder vindt u de vonnissen van de afgelopen vier jaar waarbij Sociaal Fonds Taxi partij was.

2018

SFT versus Taxi Fila B.V.

Op 12 juni 2018 is opnieuw een overwinning behaald inzake bestuurdersaansprakelijkheid. Het (inmiddels gefailleerde) taxi- en busbedrijf Taxi Fila heeft Sociaal Fonds Taxi en FSO (zijnde het equivalent in het Besloten Busvervoer) lange tijd aan het lijntje gehouden en geweigerd om mee te werken aan verplichte cao onderzoeken. Deze verplichting vloeide voort uit de algemeen verbindend verklaarde cao Taxivervoer en de cao voor het Besloten Busvervoer. Daarnaast waren ook verplichte premiebijdragen aan SFT en FSO onbetaald gelaten.

Persoonlijk ernstig verwijt

Het bewerkstelligen dat de vennootschap niet meewerkt aan verplicht gesteld onderzoek, levert in de onderhavige situatie een persoonlijk ernstig verwijt op jegens zowel de directe bestuurders, alsmede jegens de indirecte bestuurders, waaronder de feitelijk bestuurder. Dit heeft tot gevolg dat de (in)directe bestuurders hoofdelijk zijn veroordeeld tot het betalen van de daaruit voortvloeiende forfaitaire schadevergoeding aan SFT en FSO.

Hoofdelijk aansprakelijk

Ook als de ernstige verwijtbaarheid niet was komen vast te staan, dan nog waren de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor het onbetaald laten van de forfaitaire schadevergoeding en de premiebijdragen aan SFT en FSO vanwege een misleidende voorstelling van zaken conform artikel 2:249 BW.

 

 

SFT versus Taxibedrijf

In het bijgaande vonnis van de kantonrechter te Den Haag d.d. 4 april 2018 worden de vorderingen van SFT integraal toegewezen.

Gedaagde heeft onder meer aangevoerd dat hij niet bekend was met alle bankgegevens van zijn werknemers zodat de betalingsbewijzen van de door SFT opgelegde looncorrecties (nog) niet konden worden overgelegd. Dit verweer is door de rechter verworpen omdat hij immers ruimschoots de tijd heeft gehad om dit te achterhalen, zodat hij zich hier niet achter kan verschuilen.

SFT versus Taxibedrijf

In het bijgaande vonnis van de kantonrechter te Tilburg d.d. 4 april 2018 worden de vorderingen van SFT integraal toegewezen. Daarbij wordt voorbijgegaan aan het verzoek van gedaagden om de forfaitaire schadevergoeding te matigen.

SFT versus Taxibedrijf

In het onderhavige vonnis van de kantonrechter te Assen d.d. 23 januari 2018 wordt een taxiondernemer (VOF) veroordeeld tot het betalen van een forfaitaire schadevergoeding vanwege haar weigering om de door SFT opgelegde looncorrecties te verrichten. De rechter is voorbijgegaan aan de drie verweren van gedaagden.

Het eerste verweer dat zij een startende onderneming was en niet geheel op de hoogte was van de geldende regelingen, kan haar niet baten. Het tweede verweer dat gedaagde de dupe zou zijn van de onkunde van het oude administratiekantoor behoort ingevolge artikel 6:76 BW voor haar risico te blijven. Het derde verweer dat het personeel debet is aan de gebrekkige arbeidstijdadministratie wordt om dezelfde reden gepasseerd.

De rechter overweegt in dat kader dat gedaagden als werkgever de taak hebben om erop toe te zien dat de registratie op een correctie wijze plaats vindt en deze registratie goed wordt bewaard. De rechter is het met SFT eens dat de boordcomputer (BCT) en de rittenstaten leidend moeten zijn voor de arbeidstijdadministratie en de daaruit voortvloeiende nabetaling. De stelling dat het personeel zou hebben aangegeven wel het juiste loon te hebben ontvangen doet hier niet aan af. Dit met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad inzake Blue Taxi. 

De kantonrechter is het met SFT eens dat er geen reden is voor matiging van de forfaitaire schadevergoeding. De blote stelling van gedaagde dat een integrale toewijzing het einde van haar bedrijf zou betekenen, is in dat kader te mager.

2017

SFT versus Personenvervoer Boxmeer (SPB)

Sociaal Fonds Taxi (SFT) is in hoger beroep in het gelijk gesteld. De kantonrechter stelde in eerste aanleg vast dat de Stichting Personenvervoer Boxmeer (SPB) in de controleperiode geen personeel in dienst had zodat SFT geen aanspraak kan maken op een forfaitaire schadevergoeding. Het hof was het hier niet mee eens.

SFT heeft Stichting Personenvervoer Boxmeer (SPB) verzocht om controledocumenten aan te leveren ten behoeve van een onderzoek naar de naleving van de cao Taxivervoer door de taxionderneming SPB. SPB heeft hier geen gehoor aan gegeven en pas lopende de gerechtelijke procedure voor het eerst gereageerd met de mededeling dat er gedurende de controleperiode geen personeel werkzaam was. De kantonrechter stelde in eerste aanleg vast dat SPB in de controleperiode geen personeel in dienst had. Hierdoor kon SFT geen aanspraak kan maken op een forfaitaire schadevergoeding.

Hoger beroep

In hoger beroep oordeelde het hof echter, dat SFT op basis van de vier vergunningsbewijzen, het overzicht van het pensioenfonds en de door SPB verstrekte verzamelloonstaat voldoende aanleiding had om aan te nemen dat er door het personeel in de controleperiode wel werkzaamheden waren verricht. SFT kon volgens het hof dus wel met recht overlegging van nadere gegevens vragen. Het stilzitten van SPB wordt alsnog gesanctioneerd door de toewijzing van de door SFT gevorderde forfaitaire schadevergoeding. Het verzoek van SPB om de forfaitaire schadevergoeding te matigen werd door het hof afgewezen. 

 

SFT versus Blue Taxi - Uitspraak Hoge Raad

Hoge Raad geeft SFT gelijk 

Op 6 januari 2017 heeft de Hoge Raad beslist in een langlopend geschil tussen SFT, het CAO- controleorgaan in de taxibranche, en taxionderneming Blue Taxi. Hierbij is geoordeeld dat een vaststellingsovereenkomst (VSO) tussen een werkgever en werknemer, die in strijd met de cao is, niet aan een cao-controleorgaan kan worden tegengeworpen. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de uitleg van SFT betreffende de pauzeregeling en de definiëring van de standplaats in de cao Taxivervoer juist is.

Kwestie

Blue Taxi werd door SFT aangesproken op het feit dat zij de pauzeregeling in de cao Taxivervoer niet goed interpreteerde. Er werd door de taxionderneming onder de noemer ‘pauze’ namelijk geen wachttijd doorbetaald aan de chauffeurs. De chauffeurs hadden hierdoor nog bijna de helft van hun salaris tegoed. Blue Taxi gaf aan dat geen sprake was van betaalde wachttijd, maar van onbetaalde pauzes. De chauffeurs zouden immers een grote mate van vrijheid hebben bij het indelen van hun diensten en zelf beslissen waar en wanneer ze een pauze opnamen.

SFT hield vast aan haar standpunt inzake de pauzeregeling buiten standplaats. Blue Taxi wilde dit omzeilen door de definiëring van het begrip standplaats te verruimen. SFT hield vast aan de bestaande interpretatie van de pauzeregeling en de definiëring van het begrip standplaats. Blue Taxi kwam vervolgens met haar (ex)werknemers in een VSO overeen dat zij afstand zouden doen van hun eventuele (loon)vordering voor het geval SFT gelijk had.

Oordeel

Het Hof én de Hoge Raad hebben hier een stokje voor gestoken. Beide instanties oordelen dat de afspraken tussen Blue Taxi en de (ex)werknemers niet aan SFT kunnen worden tegengeworpen. Ook werd vastgesteld dat de cao-interpretatie van SFT de juiste was. 

2016

Connexxion Taxi Service versus ZCN/BIOS c.s.

Uitspraak gerechtshof; OPOV-regeling tóch van toepassing bij overgang Regiotaxi Waterweg

In het arrest van dinsdag 18 oktober 2016 inzake Connexxion Taxi Service versus ZCN/BIOS c.s. heeft het Hof Den Haag in kort geding (spoedappel) anders geoordeeld dan de kantonrechter. De overgang van Regiotaxi Waterweg van ZCN/BIOS c.s. naar Connexxion kan niet worden gekwalificeerd als overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW.

Dit betekent dat de OPOV-regeling van toepassing blijft en dat niet alle werknemers overgaan en aan het werk gaan bij de nieuwe vervoerder. Volgens deze OPOV-regeling, die onderdeel uitmaakt van de cao Taxi, moet aan 75% van het betrokken personeel door de nieuwe vervoerder een baanaanbod worden gedaan. Dit arrest onderstreept het belang van de OPOV-regeling.

SFT versus Personenvervoer Wolters

In dit arrest bevestigt het Hof Arnhem-Leeuwarden, in lijn met uitspraken van andere hoven, dat een forfaitaire schadevergoeding (boetebeding) geen vervangende schadevergoeding is en kan bestaan naast een vordering tot nakoming van de verplichting om de gevraagde informatie te verstrekken.

De boete heeft een meerduidige strekking namelijk;

  1. doordat deze wekelijks oploopt wordt het een steeds sterkere prikkel tot nakoming van de informatieplicht,
  2. daarnaast dient de boete ter dekking van de onderzoekskosten en
  3. ter compensatie van de reputatieschade van CAO-partijen doordat de CAO niet wordt nageleefd.

Het Hof verwerpt het beroep op matiging, omdat niet gezegd kan worden dat toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daardoor onaanvaardbaar resultaat leidt (toetsingscriterium van de Hoge Raad). Het argument van Personenvervoer Wolters, dat bleek dat er slechts een geringe correctie nodig was toen ze uiteindelijk wel de gevraagde controledocumenten had aangeleverd, doet hier niet aan af.

2015

SFT versus Blue Taxi

Een verklaring waarbij een werknemer vrijwillig afstand doet van zijn CAO-rechten kan niet aan SFT worden tegengeworpen. Blue Taxi moet de wachttijden alsnog doorbetalen.

In deze zaak heeft SFT bij een CAO controle vastgesteld dat Blue Taxi de wachttijden tussen de ritten onbetaald laat. Dit is in strijd met de CAO waarin is bepaald dat wachttijd buiten standplaats als arbeidstijd moet worden aangemerkt. SFT heeft gevraagd om deze tijd alsnog door te betalen.

Vaststellingsovereenkomst

Blue Taxi heeft tevergeefs getracht om onder de opgelegde nabetaling uit te komen door zich te verschuilen achter de afstandsverklaringen van de werknemers. Deze afstandsverklaringen hebben het karakter van een vaststellingsovereenkomst waarmee Blue Taxi met medewerking van zijn personeel heeft getracht om een einde te maken aan het geschil met SFT.

De kantonrechter ging hierin mee en vond het geen probleem dat hiermee in strijd wordt gehandeld met dwingendrechtelijke bepalingen van een algemeen verbindend verklaarde cao. Dit vanwege de aard van een vaststellingsovereenkomst die bedoeld is om een einde te maken aan een geschil, ook als achteraf blijkt dat daarmee dwingendrechtelijke bepalingen opzij worden gezet. De kantonrechter vindt de discussie omtrent de juiste toepassing van de arbeidstijdbepaling derhalve niet meer relevant.

Het Hof is het met SFT eens dat een vaststellingsovereenkomst alleen dan in strijd mag komen met dwingend recht indien deze strekt ter beëindiging van een reeds bestaand geschil. Het is dus niet mogelijk om dwingendrechtelijke bepalingen op voorhand uit te sluiten.

In de onderhavige zaak hadden de vaststellingsovereenkomsten niet de strekking om een einde te maken aan een bestaand geschil tussen de werkgever en de werknemer, maar juist ter voorkoming van een toekomstig geschil in het geval het standpunt van SFT omtrent de pauzeregeling juist zou zijn. Door het op voorhand uitsluiten van dwingendrechtelijke bepalingen wordt het dwingende karakter op een ontoelaatbare wijze ondermijnd.

Daar komt bij dat SFT een eigen belang heeft bij de handhaving van de cao en bovendien bevoegd is om namens cao-partijen een forfaitaire schadevergoeding te vorderen op grond van artikel 15 Wet Cao jo artikel 3 wet AVV.

Pauzeregeling

Het Hof gaat vervolgens wel inhoudelijk in op de beoordeling van de arbeidstijdbepaling in samenhang met de pauzeregeling. Deze bepaling is regelmatig een bron van discussie omdat juist op dit punt verschil kan worden gemaakt in de loonkosten.

SFT stelt dat Blue Taxi de arbeidstijdbepaling onjuist toepast omdat alleen rijtijden worden doorbetaald en wachttijden buiten standplaats als onbetaalde pauzes worden aangemerkt. In dat kader moet de (betaalde) wachttijd waarbij de werknemer ter beschikking staat van de werkgever, worden onderscheiden van (onbetaalde) pauzes waarbij de werknemer geen enkele verplichting heeft ten aanzien van zijn werk. Daarnaast dienen pauzes op standplaats te worden onderscheiden van pauzes buiten standplaats omdat de onbetaalde pauzeaftrek bij de laatste categorie is gelimiteerd.

SFT legt standplaats uit als de thuisbasis van de werknemer zijnde het vestigingsadres van het bedrijf of het thuisadres van de chauffeur als deze de taxivoertuigen mee naar huis nemen. Het Hof is het niet eens met de interpretatie van Blue taxi die standplaats uitlegt als iedere willekeurige plek die door de chauffeurs als een soort thuisbasis wordt ervaren. Dit is in strijd met de beschermingsgedachte die aan het pauzebegrip ten grondslag ligt d.w.z. dat er geen ongelimiteerde pauzetijd buiten standplaats van de arbeidstijd kan worden afgetrokken.

Ook het verweer van Blue Taxi dat de chauffeurs zelf beslissen wanneer ze pauze opnemen slaagt niet. Het hof overweegt dat nu uit de arbeidstijdadministratie van Blue Taxi blijkt dat alleen rijtijd wordt doorbetaald het in de rede ligt dat de pauzeregeling wordt overtreden. Het doet niet ter zake of de chauffeurs vanaf de taxistandplaats Rotterdam CS dan wel via de centrale rijden. In het laatste geval dienen de chauffeurs zich namelijk ook beschikbaar te houden voor een oproep van de centrale zodat ook dan sprake is van doorbetaalde wachttijd. 

Conclusie

Het Hof komt tot de conclusie dat Blue Taxi gehoor had moeten geven aan de vordering van SFT tot het alsnog verlonen van de niet doorbetaalde wachttijd. Derhalve wordt ook de gevorderde forfaitaire schadevergoeding die vanwege het uitblijven van de stukken door SFT is verhoogd naar ruim € 12.000,- toegewezen.

SFT versus de bestuurder van Starreizen B.V.

Deze zaak laat zien dat een taxibedrijf niet aan een SFT controle kan ontkomen door zich simpelweg uit te schrijven uit het handelsregister. De bestuurder werd daarop persoonlijk aansprakelijk gesteld.

SFT heeft medio 2011 bij de voormalige besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starreizen B.V. een onderzoek uitgevoerd naar de naleving van de cao Taxivervoer. XXX is sinds 1 januari 2010 bestuurder van Starreizen. De vennootschap is per 31 maart 2012 ontbonden en per 2 april 2012 stilletjes uitgeschreven uit het Handelsregister.

Persoonlijk aansprakelijk

Starreizen weigerde om de door SFT vastgestelde cao-overtredingen te corrigeren en pas na herhaalde sommatie per brief d.d. 5 maart 2012 werd voor het eerst gereageerd waarbij de vorderingen van SFT van de hand werden gewezen. De vennootschap is kort daarna op 31 maart 2012 ontbonden waarna de voormalig bestuurder in persoon door SFT aansprakelijk is gesteld op de voet van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).

Bij bestuurdersaansprakelijkheid wordt de bestuurder persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor zijn handelingen. Hiervoor is een onbehoorlijke taakvervulling niet voldoende. Bestuurdersaansprakelijkheid wordt alleen aangenomen als de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt in die zin dat een redelijk handelend en ervaren bestuurder onder dezelfde omstandigheden van die beslissing had afgezien. Daarbij moeten volgens de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval worden betrokken.

Ernstig verwijt

De kantonrechter is met SFT van mening dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat hij willens en wetens niet heeft gedaan waartoe hij als bestuurder jegens zijn werknemers en jegens cao-partijen gehouden was, teneinde te verzekeren dat de cao-bepalingen en de handhaving daarvan wordt nageleefd. De bestuurder reageerde daarbij uiterst laconiek en afhoudend ondanks herhaalde sommatie van SFT om de cao-overtredingen te corrigeren. Daarbij komt dat de bestuurder op de hoogte was van de claims van SFT en desondanks tot ontbinding van de vennootschap is overgegaan zonder dat een vereffening heeft plaatsgevonden, waardoor de bestuurder in persoon heeft bewerkstelligd dat SFT zich als schuldeiser niet meer op het vermogen van de vennootschap kan verhalen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande wordt de vordering van SFT tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding door de kantonrechter toegewezen, met dien verstande dat deze wordt gematigd. Dit met name omdat de vorige bestuurder misbruik lijkt te hebben gemaakt van het gebrek aan overzicht, inzicht en gebrekkige bestuurlijke competentie van zijn opvolger. In het verlengde hiervan wordt de vordering van SFT tot het corrigeren van de overtredingen op straffe van een dwangsom niet toegekend omdat het niet in de macht van de bestuurder ligt om hieraan te voldoen.