3.6.1 CAO-stijgingen

De CAO-lonen (uitgangspunt is maandloon, week- en uurloon worden daarvan afgeleid) voor het rijdend personeel worden verhoogd met:

  • 2% met ingang van 1 januari 2019
  • 2% met ingang van 1 januari 2020

 

De lonen van werknemers die reeds boven het CAO-loon worden betaald kunnen worden ‘bevroren’ totdat zij correct zijn ingeschaald. Deze bepaling geldt dus ook indien een werknemer uitsluitend als chauffeur contractvervoer beperkt of als chauffeur straattaxi werkzaam is en hoger dan de bij deze functie behorende loontrede is ingeschaald. Echter, zodra deze werknemer ook op ander werk wordt ingezet, heeft hij vanaf dat moment alsnog recht op de bovengenoemde structurele loonstijging.

 

3.6.2 Tredeverhoging en -onthouding

Bij normale uitvoering van zijn werkzaamheden heeft de werknemer telkens op 1 januari van het kalenderjaar recht op een tredeverhoging die gelijk is aan één loontrede van de loonschaal waarin de werknemer is ingedeeld, tot het maximum van die loonschaal is bereikt.

Indien een werknemer tussen twee tredes ingeschaald is en deze heeft recht op 1 januari van het kalenderjaar op een tredeverhoging, dan dient deze werknemer op 1 januari ingeschaald te worden in de naasthogere trede. 

De tredeverhoging kan worden onthouden indien er geen sprake is van normale uitvoering van de werkzaamheden door werknemer. De werkgever kan in de navolgende situaties oordelen dat normale uitvoering van de werkzaamheden door de werknemer niet aan de orde is:

1. Gegronde klacht over het functioneren van de werknemer. Er is sprake van een gegronde klacht, als werkgever en werknemer naar aanleiding van een klacht over het functioneren van de werknemer een gesprek hebben gehad, waarbij is vast komen te staan dat de werknemer het eens is met de klacht. Van dit gesprek wordt een verslag gemaakt, dat zowel werkgever als werknemer ondertekenen voor akkoord. Het verslag wordt door werkgever opgenomen in het personeelsdossier van betreffende werknemer. 

2. Niet op tijd op het werk zijn. Indien werknemer op de door werkgever aangegeven tijd aanwezig en beschikbaar is voor zijn bedongen arbeid, maar het voertuig waar deze geacht wordt zijn werk mee uit te voeren is nog niet aanwezig, kan werkgever de werknemer niet aanrekenen dat deze niet op tijd is begonnen. 

3. Schade, daaronder mede begrepen letselschade, veroorzaakt door aantoonbare schuld van de werknemer. 

4. Schuldig bevonden en beboet voor de volgende verkeersovertredingen begaan door de werknemer: 

a. eenmaal meer dan 30 km harder rijden dan toegestaan dan wel; 

b. tweemaal meer dan 10 km harder rijden dan toegestaan doch minder dan 30 km te hard dan wel; 

c. tweemaal door een rood verkeerslicht is gereden of tweemaal over de vluchtstrook dan wel; 

d. driemaal andersoortige verkeersovertredingen heeft begaan, waarbij de eerste 3 verkeersovertredingen niet worden meegeteld. 

Indien werkgever één of meer van de situaties onder 1, 2 of 3 van invloed wil laten zijn op het niet toekennen van de tredeverhoging als genoemd in dit artikel, hanteert werkgever de volgende werkwijze:

1. Bij de eerste keer ontvangt werknemer binnen 10 werkdagen nadat werkgever kennis heeft genomen van een situatie zoals genoemd onder 1, 2 of 3  een schriftelijke waarschuwing van werkgever

2. Bij de tweede keer ontvangt werknemer binnen 10 werkdagen nadat een werkgever kennis heeft genomen van een situatie zoals genoemd onder 1, 2 of 3 een schriftelijke waarschuwing van werkgever, waarbij wordt aangegeven dat een derde keer zal leiden tot het niet toekennen van een tredeverhoging

3. Bij de derde keer ontvangt werknemer schriftelijk binnen 10 werkdagen nadat werkgever kennis heeft genomen van een situatie zoals genoemd onder 1, 2 of  3 de mededeling dat er geen tredeverhoging zal worden toegekend

Indien werkgever op basis van verkeersovertredingen de tredeverhoging als genoemd in dit artikel, niet wil toekennen, hanteert werkgever de volgende werkwijze:

Bij het schuldig bevonden en beboet zijn voor een verkeersovertreding door werknemer maakt werkgever dit steeds schriftelijk binnen 10 werkdagen nadat werkgever kennis heeft genomen van een situatie zoals genoemd onder 4a t/m 4d kenbaar aan werknemer, aangevuld met het volgende:

  • Bij een verkeersovertreding als genoemd onder 4a maakt werkgever direct kenbaar dat er geen tredeverhoging zal worden toegekend.
  • Bij een verkeersovertreding als genoemd onder 4b en 4c maakt werkgever bij de tweede keer kenbaar dat er geen tredeverhoging zal worden toegekend.
  • Bij een verkeersovertreding als genoemd onder 4d maakt werkgever bij de derde keer, waarbij de eerste 3 verkeersovertredingen niet worden meegeteld, kenbaar dat er geen tredeverhoging zal worden toegekend

 

De in 1 t/m 4 genoemde situaties dienen zich daadwerkelijk te hebben voorgedaan in het jaar direct voorafgaand aan het jaar waarin een tredeverhoging bij normale uitvoering van de werkzaamheden zou zijn doorgevoerd. Indien de werkgever pas na 31 december op de hoogte is van een omstandigheid die aanleiding had kunnen zijn voor het niet toekennen van een tredeverhoging, kan hij deze niet meer laten meetellen. Deze kan dan wel meegeteld worden bij het eventueel niet toekennen van een tredeverhoging bij de eerstvolgende wisseling van het kalenderjaar.   

Situaties, genoemd onder 1 t/m 4, die zich in 2018 voordoen, waarbij werkgever de voorgeschreven procedure heeft gevolgd, mogen al van invloed zijn op het kunnen onthouden van een trede per 1 januari 2019.